In gesprek met… Kerssemakers
Jacob Kerssemakers
Tekst: Mélanie Struik
Het is op een donderdagochtend in januari dat ik de tramtunnel aan de Grote Markt in Den Haag uitkom en een snijdende koude oostenwind me tegemoet komt. Nog zeven minuten lopen en ik ben bij Studio Pakhuis, een verzamelgebouw van kunstenaarsateliers aan de Looijerstraat in de binnenstad van Den Haag. Hier zal ik Jacob Kerssemakers ontmoeten voor een interview want Jacob wordt kunstenaar van de maand februari 2026 bij Kunstuitleen Voorburg. Op zijn website las ik al dat Jacob rolschilderijen maakt. Dat klinkt apart en ik ben benieuwd.
Sonnenburgh reflectie, Voorburg, 2025
Na de begroeting loop ik drie trappen omhoog naar Jacob’s atelier en kom door een lange gang met – aan het einde ervan vlak voor de ingang van zijn atelier – aan weerszijden constructies waaraan, van boven naar beneden, een aantal smalle langwerpige schilderwerken zijn opgehangen. Jacob had al gevraagd of ik zijn werk uitgestald wilde zien – ja, zeker – want veel ervan is opgeslagen omdat er voor het formaat van zijn vooral panoramische werken in zijn atelier onvoldoende plek is. Jacob legt uit hoe hij de hangconstructie heeft gemaakt en een rijdend meubel heeft ontwikkeld van een doorgezaagd oud tafelblad, waarin hij zijn werken verticaal, op hun kant, kan zetten. Aan het eind van het gesprek zal ik zien hoe hij dit alles weer opruimt en het meubel naar zijn atelier rijdt waar, meteen rechts, een smalle opbergruimte is. Geniaal bedacht, zie ik. Jacob zal me nog vertellen dat hij ook een enorme knutselaar is.
het atelier
Jacob is een enthousiaste verteller: “Ik werk graag en plein air, buiten dus, en overal in de wereld. Voor mij gaat het bij het creatieproces om de beleving tijdens het werken. Ik creëer een situatie, bijvoorbeeld de voorplecht van een bootje op een plas. Daar plaats ik mijn rolezel. Ik schilder wat ik recht voor me uit zie en verplaats – in dit geval – mijn bootje steeds een stukje totdat ik de halve cirkel van 180 graden of soms ook de hele cirkel van 360 graden rond ben en daar rolt dan een schilderij uit.”
Zo ziet dat werken op een bootje eruit, hier in de zomer aan de Nieuwkoopse plassen. Zie op de voorplecht de rolezel
Jacob toont me in de gang een schilderij van de Kaag in de winter. “Ik moest allerlei voorbereidingen treffen voor mijn spullen, zo bond ik mijn kwasten aan een touwtje zodat ze niet overboord konden vallen. Ik moest ook van alles doen om niet te koud te worden. Ik bleek anderhalf uur te kunnen schilderen, daarna moest ik maatregelen treffen om weer warm te worden: een beetje bewegen en wat eten en drinken. Maar dan moet je bijvoorbeeld naar het toilet, hoe organiseer je dat? Het is een beetje overleven, wat je overigens niet aan het schilderij af ziet en ook niet af móet zien. Aan het werk van de Kaag in de winter begon ik rond 11 uur en ik werkte tot 17 uur. Toen was het helemaal donker. Die overgang van daglicht naar avondlicht zie je heel goed op het werk. Kun je je voorstellen hoe bijzonder het is om daar te zitten en dit allemaal te ondergaan?”
Jacob wijst het werk van de Kaag in de winter aan
“Zo zit ik ook op het land te werken. Daar krijg je te maken met omstanders, regen en bijvoorbeeld hondjes waarvan ik dan denk ‘o help, niet tegen de ezel aan plassen’. Het is heel anekdotisch, er gebeurt van alles. Ik vind dat leuk: het geeft een soort praktische beklemming, een tijdsdruk, want ook hier moet het werk wel binnen een dag af vanwege het licht dat je nooit meer hetzelfde krijgt als je later weer naar dezelfde plek terug zou keren. Meest gestelde vraag als ik zo bezig ben, is: is het uw beroep? Mijn antwoord is na jaren van aarzeling: ja en dit antwoord houdt het gesprek leuker.
Jacob buiten op de Koekamp in Den Haag in 2025 aan het werk op een zelf gefabriceerde staande rolezel
Een andere vraag is ‘werkt u het thuis verder uit?’ Vroeger zei ik nee, want dat hoorde toen nog bij het buitenritueel. Dat was ook principieel, maar tegenwoordig hangt het helemaal van het werk af of ik vind dat het al dan niet af is. Is dat het laatste dan werk ik het verder uit op het atelier. Zo’n panorama in je atelier maken zou natuurlijk wel kunnen, bijvoorbeeld van foto’s of naar herinnering, maar dat doe ik niet, ik begin altijd op de plek buiten.”
Jacob in zijn atelier met achter hem ander panoramisch werk
Jacob wijst naar een werk dat hij buiten maakte aan de Koekamp in Den Haag, in december 2025. Dat hangt aan het droogrek. “Dit is de opzet die ik buiten heb gemaakt. Dan ga ik naar huis en bedenk ik me daar wat ik er verder mee wil gaan doen. Dat is echt een andere manier van werken, losser en meer gericht op dat wat tijdens het uitwerken nog uit de herinnering boven komt. Ik ben bij deze manier van werken niet meer gebonden aan de tijdslimiet van één dag vanwege het vangen van het licht.”
Bij de ingang van het atelier hangen twee kleurrijke verticale werken: twee visies van hem op een boom in het Sonnenburgh-park in Voorburg. “Hoe ik dit doe? Ik werk met een staande rolezel die ik zelf gemaakt heb, daar loopt het doek van rechts naar links, ik kijk steeds schuin omhoog en schilder steeds een stukje van de boom tot aan de top toe. Ook hier moet alles binnen één dag af in verband met de lichtval. Door de verticale stand is dit qua vorm een variant die ik recent meer aan het uitproberen ben.”
De bomen uit het Sonnenburgh-park in Voorburg. Het werken in de lengte is nieuw
“Ik ben van oorsprong natuurkundige, gepromoveerd in Groningen. Het lag niet in de lijn der verwachting dat ik na de middelbare school naar de kunstacademie zou gaan. Na mijn promotie ben ik lang post-doc onderzoeker geweest. Dan krijg je steeds kortlopende contracten voor een onderzoek over een bepaald onderwerp. Toen ik in Amsterdam aan de VU fulltime onderzoeker was, startte ik met de avondopleiding van de Gerrit Rietveld Academie. Dat bleek een brug te ver, want een rechtstreekse weg om overspannen te worden. Na een jaar ben ik in 2001 gestopt. Het was overigens wel een interessant jaar. Ik heb er veel geleerd. Het uitgangspunt daar was toen vooral de vraag of je ‘idee’- los van de uitvoering – goed was, of het niet saai was.
Mijn rolschilderijen zijn ook ontstaan uit een vrije tekenopdracht van een docent aan de Rietveld Academie: ‘doe iets met beweging’. Ik had een rol plotterpapier vanuit mijn onderzoekswerk. Dat is grafiekpapier dat van de ene rol naar een ander rol gaat en waarmee bijvoorbeeld in musea via een grafische pen de luchtvochtigheid wordt gemeten. Ik had het gedicht van Hendrik Marsman Denkend aan Holland (gepubliceerd in 1936) in mijn hoofd. Dat is heel repetitief en dat is het Hollandse landschap ook: met vijf elementen kun je dit typeren: een bomenrij, een boerderij, een rivier en een buitenwijk en dan kun je weer opnieuw beginnen. Dat deed ik niet naar de waarneming maar uit mijn hoofd. Ik vond het mooi en heel vredig om te doen. Het is een werk van 7 cm hoog en 40 meter lang geworden.”
De eerste versie van de rolezel
“Dat ik naar de waarneming ben gaan schilderen kwam weer door een andere ervaring. Ik woonde een tijdje in Berlijn en had werk dat niet leuk was. Ik ging tekenen en nam daar tekenles. De docente vond dat je geen contouren moest tekenen maar een draadframe: met een stift in een doorlopende lijn contouren vangen. De opdracht was ‘maak een web tot er een tekening ontstaat en ga dit maar ergens doen’. Ik wilde naar buiten om naar de waarneming te tekenen en daar wilde ik een draagbare rolezel voor ontwikkelen. Op een knutseldag maakte ik van een open leeg schilderijframe een rolezel die ik op mijn buik kon hangen en zo ging ik naar buiten. Ik werkte eerst met markerstift in zwart-wit mijn eerste panoramatekening in Berlijn uit. Ik hoefde zelf maar een beetje rond te draaien om weer een andere hoek te zien, het werd een werk van tien meter lang.”
Jacobs eerste buiten-rolplank gemaakt van spielatjes waarop hij de Karl-Marx Allee tekende
“Daar werd de snaar geraakt. Ik ging canvas op rol kopen, ontwikkelde rolezels die konden staan en bepaalde per werk of project de hoogte, sneed dit uit en draaide de smalle rol canvas op een rol die ik verbond met een tweede rol, waardoor ik het canvas van een aantal meters lang van rechts naar links – ik ben linkshandig – kon laten doorschuiven. Het was 2006. In eerste instantie bewaarde ik de werken op een rol in een kast. Later spande ik het canvas als een werk klaar was op een houten frame zodat ik het werk op kon hangen.”
“De drang om te creëren is er altijd geweest. Ik heb altijd getekend en vooral ook geknutseld. Ik woonde als kind op Aruba. Dat was een goudmijn. Wat er daar in eerste instantie allemaal in de struiken lag … Dingen oprapen was prachtig en – later – natekenen vond ik leuk, ik word somber als ik het niet doe. Als hollen of stilstaan de modi zijn dan maar hollen – en voor mij is dat rollen geworden – al vind ik het vaak wel héél vermoeiend om te beginnen. Maar als ik eenmaal rol, dan loopt het en heb ik het momentum te pakken.”
Toen ik terugkwam uit Duitsland, in 2006, kon ik een deeltijdbaan krijgen als een soort technisch assistent aan de TU in Delft. Dat gaf ruimte en ik ben toen in Amsterdam de opleiding ‘schilderen’ aan de Wackers Academie voor Figuratieve Kunst begonnen, een particulier opleidingsinstituut voor figuratief tekenen, schilderen en beeldhouwen. Het was ‘nu of nooit’. Bij de Wackers Academie ging het vooral om het ambachtelijke en was de vraag meer ‘is het werk goed geschilderd’, een heel verschil met de filosofie van de Gerrit Rietveld Academie. Ik heb zes jaar op de Wackers Academie rond gelopen. Daarna ben ik als zelfstandig kunstenaar verder gegaan en had ik diverse ateliers tot ik twee jaar geleden hier – in dit pakhuis – terecht kwam. Voor mij is de kunst het beleg op de boterham. Het brood (de basis) verdien ik bij de TU.”
Buiten werkend op IJsland in 2013
“Ik werk tegenwoordig ook met een voor mij nieuwe techniek. Ik maak een blok klei nat en haal er wat natte klei – slib – af. Op een werk dat nog een halffabricaat is, dek ik met dit kleislib een deel af. Dat laat ik drogen. Daarna ga ik op het werk met een spuitbus met bijvoorbeeld goudverf in de weer, wat ik laat drogen, waarna ik het kleislib nat maak en afspoel.. In het begin lukte dit per ongeluk maar het gaat niet altijd even goed. Ik moet deze manier van werken echt verkennen, het zal nog wel een tijdje duren voor ik dit goed in de vingers heb.”
“Dat geldt trouwens ook voor het schilderen. Als ik tien werken maakt, is er zeker één voorledig mislukt (zo erg dat ik een beter werk maakte toen ik tien jaar was), één werk is echt goed en de rest zit daartussenin. En dat blijft, ieder liegt die dat niet toegeeft. Als je iets nieuws probeert, zijn de uitwassen groter en faal je glorieuzer. Als iemand dan positief is over je werk is dat voor mij het begin om over dat werk verder na te denken. Ik vind het oordeel van de kijker echt belangrijk want die ziet ook iets, waardoor er waarde aan het werk wordt toegevoegd. Want ieder put uit zijn eigen rugzakje en weet binnen een seconde naar welk werk je wel of niet wilt kijken. Ik word me daar steeds bewuster van. Als een werk verkocht wordt, krijgt het een nieuw leven elders en als het dan eindigt bij opa boven de schouw, waarna het weer via de erfenis elders terecht komt, dan heeft het werk een leven gehad en gaat dat leven ook nog weer verder.”
“Recent maakte ik een fors zwart wit werk in stroken overdwars, met bruggen in Nijmegen – mijn geboortestad – en Rotterdam als onderwerp. De ene strook gaat over Nijmegen, de volgende over Rotterdam. De stroken heb ik op een heel klein rolezeltje gemaakt, nadat ik eerst op het totaal van de acht stroken een groot ‘watermerk’ had aangebracht: een doorkijk van de brug in Nijmegen. Toen ging ik op pad en heb ik daar delen van bruggen en hun omgeving in Nijmegen en Rotterdam, veel kleiner van formaat, aan toegevoegd. Fijn uitzoekwerk van waar moet het zwart en waar niet-zwart zijn. Het werk heeft als titel Van Maas en Waal.”
“Tien jaar geleden werkte ik elke maand mee aan een expositie. Nu is dat niet meer dan vier keer per jaar en dat zou meer moeten want mijn schilderijen halen elkaar nu in. Ik maak meer dan ik per expositie kan ophangen/aanleveren en meestal wil men ‘vers’ werk: ik heb vrij veel werk wat nooit geëxposeerd is omdat er alweer nieuw werk was. Er hangt nu één werk in de Kunstkring in Den Haag en mijn laatste experiment, van de zwarten en witten, gaat daar bij de ‘Entree’ hangen, samen met zes langwerpige werken. Tien langwerpige werken gaan naar de Kunstuitleen Voorburg. Daar ben ik weer heel blij mee. Maar het uitventen van het werk kost gewoon veel tijd, die ook weer afgaat van het schilderen en aanrommelen. Voor mij is zo werken meditatief. Je hebt op dat moment een eenvoudig leven, je moet gewoon een tekening of schilderij maken. Dat gaat blijkbaar steeds voor, al zou ik wát graag helemaal voor de kunsten gaan en ook meer tijd besteden aan het aan de mens brengen van mijn kunst. Ik heb diep respect voor de mensen die dat doen. Nu verkoop ik bijvoorbeeld zo ongeveer een kwart van mijn werk en wat zou het mooi zijn als dat meer zou kunnen worden, maar dat kost tijd die ik nu niet heb.”
“Het was niet altijd een makkelijke weg. Het accent op het ambachtelijke bij de Wackers Academie was oké maar ik bleef daar wel lang in de landschaps- en portretschilderkunst hangen. Dat is natuurlijk goed maar in de kunstwereld met de grote K speelt de vraag van de Rietveld Academie veel meer: is het werk een goed idee geweest. Dat mis ik nog wel, het onbekommerd spelen wat leidt tot experiment. Op dat vlak ben ik al een tijdje voorzichtig mijn stappen aan het zetten.”
