In gesprek met… Burbank

Marjolein Burbank

Tekst en fotografie: Mélanie Struik, tenzij anders vermeld

Een huis als een atelier in een straat in het Zeeheldenkwartier, een populaire Haagse wijk. Ik ben iets te vroeg en drink nog snel een decaf cappuccino in een koffietent in de buurt voor de somma van Euro 5,60. Nog nooit zoveel voor een koffie betaald! Maar dat mag de pret niet drukken: aangekomen bij het huis van Marjolein Burbank loop ik via een trap op de eerste etage een ruime lichte woonkamer binnen, met daarin een lange tafel bezaaid met papier, oude ansichtkaarten en foto’s en klossen garen. Door Marjolein gemaakte jurken hangen voor de ramen aan de voorkant. En dat terwijl het ‘echte’ atelier zich op de tweede etage bevindt. Textiel/assemblage kunstenaar Marjolein Burbank wordt kunstenaar van de maand juni bij Kunstuitleen Voorburg.

De woonkamer, tevens atelier, beneden

Het ‘echte’ atelier op de tweede etage is een zolderruimte met volle kasten, en tafeltjes en stoelen bezaaid met papier, allerlei soorten stoffen, boeken en van allerlei anders waar Marjolein Burbanks (68) creatieve brein meteen op los gaat als ze iets oppakt. “Ik probeer op te ruimen maar dat lukt me niet. Dan ben ik bezig, zie ik iets en denk ik ‘daar kan een dopje op’ of ik krijg een ander idee wat ik er mee zou kunnen doen’. Alles inspireert me: spullen maar ook mensen. Zo hoorde ik laatste op straat een gesprek tussen een jonge vrouw en een dito man. Zegt de vrouw: ‘ja, ik ken niet iedereen, ik ken jou bijvoorbeeld ook niet’. Dat vond ik zo grappig klinken: je bent samen aan het wandelen en praten, dan moet je toch iets van iemand kennen?”

Het atelier op zolder

Er staan twee naaimachines die allebei van alles kunnen en ik krijg er meteen een demonstratie van terwijl ze zegt. “Ik vind het zo leuk om iets te vertellen terwijl ik uiteindelijk ook eigenlijk niets weet. Nee, ik weet eigenlijk van niks alles maar van alles weet ik een beetje.” Marjolein moet lachen. “Ik maak ook van dat werk, hmm ja, ook veel feministisch werk (Marjolein lijkt zich te verontschuldigen) en, ach ja, ik naai ook, ik doe de afwas, dus ik doe ook vrouwelijke dingen. Maar ja, dat is mijn keuze.” Ik zeg ‘niks mis mee, toch?’ “Nee”, en ze schudt ferm haar hoofd, “niks mis mee”.

Marjolein achter de naaimachine op het atelier

We dalen af naar de woonkamer/het atelier waar ik de laptop openklap om mijn waarnemingen en de mooie dingen die Marjolein zegt op te schrijven. Nadat Marjolein koffie en thee geregeld heeft, met heerlijke chocolaatjes voor mijn neus – maar ik weet me te beheersen – gaat ze tegenover me zitten en begint meteen te borduren op een kaart. Op mijn vraag of ze ook wel eens stil kan zitten en niets doet met haar handen: “Nee, dat kan ik niet, ik moet altijd met iets bezig zijn. Kijk, ik maak een stoeltje. Dat hoef ik niet te tekenen. Ik heb een patroontje en daar rondom heen maak ik een paar gaatjes in de kaart. Ik vul ze ook niet allemaal op. Mensen zeggen: ‘jij moet wel geduld hebben’ maar dat heb ik juist niet. Ik kan wel stil zitten in de zon. Dat doe ik in de ochtend even en in de middag, de zon is een streling.”

“Ik ben begonnen als textielkunstenaar. Ik maakte quilts, een handwerktechniek waarbij meerdere lagen textiel op elkaar worden gestikt tot één geheel. Eerst werkte ik vanaf patronen maar gaandeweg ontwierp ik mijn eigen geometrische patronen en kleurenpalet. In het begin werkte ik nog abstract en daarna kwam de figuratie, zoals personen en portretten. Maar ik ben een ongeduldig mens. Met zo’n quilt was ik wel een half jaar bezig. Dat duurde me te lang want ik heb ook behoefte aan contact met de buitenwereld, ik hou van de wisselwerking met mensen.”

“In de coronatijd begon ik kleiner werk te maken op papier en plaatste er veel foto’s van op Instagram. Alles was weggevallen, de galeries waren dicht en er waren geen exposities meer. Mijn werk werd gewaardeerd en ik kreeg wereldwijd aanvragen. Via Etsy – de digitale winkel – kon het werk worden besteld. Dat kleine werk kon ook makkelijk in een envelop en zo zorgde ik ervoor dat het via de post bij de aanvragers kon komen. Met het posten op Instagram ben ik ook na corona doorgegaan, ik plaats er nog steeds dagelijks iets op. Ik heb inmiddels 45.500 volgers over de hele wereld, gek, hé?

Ik maak assemblagekunst, kunst samengesteld uit verschillende materialen. Dat vind ik ook het leukste om te doen. Van papier, textiel maar ook in 3D. Vaak zijn het ook collages. Ik maak gebruik van dingen die al bestaan en geef er mijn eigen draai aan. Ik ga naar de kringloop voor materialen. Ik kocht vijf schaapjes, deed ze op een plankje met een paar lettertjes erboven: ‘als één schaap over de dam is …”. Dit soort werk heeft geen diepere boodschap en is snel weg. Je kunt ook zien hoe het gemaakt is en dat verlaagt de drempel. Mensen denken dan ‘dat kan ik ook’ maar ja, je hebt het niet bedacht. Die lage drempel zit ook in mijn prijzen. Ik maak geen Rembrandt maar kunst die toegankelijk is voor iedereen. Vaak gaat het om werken van tussen de vijftig en honderd euro. Je kunt je zelfs permitteren om er op een gegeven moment afscheid van te nemen en door te geven.”

Ik ga niet achter de geraniums zitten, 2026, vintage ansichtkaart, borduurgaren.

“Maar ik maak ook bijvoorbeeld dit type werk”, Marjolein houdt een oude briefkaart met een tekst in geschreven handschrift en een jong meisje erop en de tekst ‘Lets get loud’: “Hier zeg ik tegen alle vrouwen ‘laat weten dat je er bent’, neem je plaats in en verenig je om te strijden voor gelijke rechten voor mannen én vrouwen, bijvoorbeeld voor gelijke beloning voor hetzelfde werk, wat nog zeker niet overal zo is.”

‘Lets get loud’, 2026, collage op papier.

Op mijn vraag waar Marjolein gewaar is geworden dat vrouwen zich zouden moeten verenigen: “Ik woonde lang in het buitenland als expat, mijn man werkte voor de Verenigde Naties. Ik was daar de ‘vrouw van’ en was niet een eigen entiteit. Je hoorde tot de elite en dan heb je meteen al – ook als vrouw van – een hogere status. We waren kort in elk land en ik mocht meestal niet werken, dat paste niet bij mijn status als ‘vrouw van’. Soms kon dat wel, zoals in Oostenrijk. En in Zuid-Amerika kon dat ook omdat ik Spaans spreek.

“Ik ben opgeleid tot activiteitenbegeleider in de gezondheidszorg maar mijn diploma’s werden in het buitenland niet erkend. Vrijwilligerswerk mocht wel. Langzaamaan verbetert dit nu wel voor mensen die uitgezonden worden, met name als de man als partner meegaat. Want die moet iets nuttigs te doen hebben, terwijl dat er voor vrouwen in mijn tijd nog niet was, die moesten het zelf uitzoeken. Ik was vaak niet eens huisvrouw, want je ‘nam’ natuurlijk een werkster. Ik zag en ervoer daar zelf de grote ongelijkheid tussen man en vrouw. Maar ja, hoe gaat dat, je was jong en je paste je daar aan de expat-norm aan.”

“Ik besloot om mijn gedachten via mijn werk dan toch maar in de wereld ‘gooien’, vaak met tekst of een beeld. Ik hou van taal en vind het leuk om standaarduitdrukkingen te gebruiken, die in combinatie met het beeld een andere betekenis krijgen. Ik gebruik ook wel Engels. Dan komt de betekenis wat langzamer bij je binnen, moet je iets meer nadenken voor het tot je doordringt. En dat is wat ik wil. Ik wil dat wat ik te vertellen heb niet bij iemand meteen in het gezicht ‘smijten’. Dat doe ik zelf nog weleens op straat, ik ben nogal fel, maar dan luisteren mensen al niet meer. Ik geef met mijn werk een aanzet om iemand aan het denken te zetten, die mag het denken dan zelf afmaken en als ik het ‘zachter’ zeg, kan mijn boodschap beter doordringen. Ik ging jurken maken met opschrift, in gelaagde quilt-techniek: eerst kaasdoek, dan een laag organza – een dunne transparante en licht glanzende stof met een ietwat stijve structuur – en weer kaasdoek.”

Marjolein met organza in de weer

“Een ander effect van corona was dat ik minder met textiel ging doen en meer met papier. Ik behandel papier ook als textiel, ik naai het aan elkaar en ik naai er doorheen. Ik koop bijvoorbeeld oude ansichtkaarten op de markt in Den Haag die ik bewerk, zie het stoeltje. Soms bewaren de verkopers iets voor me, ze kennen me inmiddels en ik zeg zelden nee, ik zie overal mogelijkheden om er iets mee te doen. Ik borduurde door een zeef de tekst ‘You can’t stop me now’. Ik heb een hondje in een pan geborduurd: ‘Hond in de pot’. Mijn werk is deels ook voor de leuk.”

“Ik ben geboren in Eindhoven – mijn vader werkte bij Philips – en daarna verhuisden we naar Winterswijk, Apeldoorn en Amersfoort. Als klein kind zat ik in de kinderstoel al kralen te rijgen. Op de lagere school leerde je borduren door papier heen, naast het breien van babysokjes. Die moest je dan weer uithalen, dat vond ik zo erg. De jongens mochten timmeren, dat mochten wij meisjes niet en dat had ik graag gewild. Omdat ik na schooltijd nooit iets wilde doen, ging ik naar het individueel voortgezet onderwijs (IVO), een soort Montessori. Daar mocht je helemaal zelf weten of je wat deed of niet. Dat paste mij goed en ik deed daar als extra vak textiele werkvormen, dat later een eindexamenvak werd. Ik heb dus altijd iets gemaakt.”

“Na de middelbare school deed ik de opleiding tot bezigheidstherapeut, dat noemt men nu activiteitenbegeleider, een opleiding die je bij het Rode Kruis kon doen. Daarna ging ik werken in een psychiatrische inrichting. Daar werkte je op de groep, naast een verpleegkundige die medicatie mocht geven. Het grootste probleem voor mensen die op zo’n plek wonen, is de hospitalisatie: dat ze elk eigen initiatief verliezen. Dus een behandelstrategie is om naast iemand te gaan zitten en steeds een vraag te stellen om ze te ‘verleiden’ tot een keuze. Dan gingen we puzzelen en kon ik steeds vragen welk stukje er nu weer moest worden aangelegd. Mooi en nuttig werk. Ook organiseerde ik activiteiten waarbij mensen hun handen moesten gebruiken.

Er kwamen ook mensen van andere huizen en ik kon van alles organiseren. Ik deed later nog één dag in de week een opleiding tot inrichtingswerker met accent op het begeleiden van mensen. Ik heb dit acht jaar gedaan en vertrok toen met mijn man naar het buitenland waar we 27 jaar zijn gebleven. Over het algemeen woonden we gewoon in een woonwijk, geen grote luxe, maar op het laatst woonde ik in Thailand in zo’n ‘fake’town, een ommuurde vrijplaats. Toen ik dat zag dacht ik ‘maar dit bestaat niet’, zo’n luxeleven, ik heb er een jaar aan moeten wennen. En ging je door het hek van de compound naar buiten, in Bangkok, dan kwam je in de realiteit van de echte wereld en dat was steeds een groot contrast.”

Is this my life, 2026, deel poppenhuis en handvat

Dit werk gaat over vluchtelingen/ontheemden die hun huis kwijt zijn en op zoek naar een andere plek om te aarden

“We kregen er twee dochters waar ik natuurlijk voor te zorgen had. Ik heb in die tijd wel quilt-cursussen gegeven en deed waar het kon vrijwilligerswerk, zoals helpen in een weeshuis. En met de andere expat-vrouwen organiseerden we vlooienmarkten om fondsen te werven voor goede doelen. In Zuid-Amerika woonde ik in Bolivia en in Peru en kon ik contact maken met de locals omdat ik de taal sprak, maar in Thailand kon dat niet, ik kreeg die taal niet onder de knie. Ik was daar ook altijd aan het quilten, ik moest een goede bezigheid hebben, anders werd ik gek. In zo’n expat-gemeenschap ben je trouwens Nederlandser dan de Nederlanders. Er werden zangavonden georganiseerd met veel André Hazes, er was gewoon behoefte om een beetje gek te doen. We organiseerden ook ‘erwtensoep-avonden’ en Sinterklaas werd uitbundig gevierd.”

The hapiness you orderd isn’t available at the moment, 2024, kartonnen verzenddoos, garen

‘Hoe kijk je daar nu naar terug’, vraag ik. Marjolein: “Een heerlijk leven maar niet mijn leven. Hier, waar ik nu ben, dit is mijn leven! Ik kijk wel met plezier terug op die tijd maar ik mis het niet. We zijn zó vaak verhuisd dat je zo’n periode in een land ook meteen afsluit, je wil niet alles steeds maar weer missen. Internet kwam op een gegeven moment maar dat werd nog niet intensief gebruikt zoals nu. Nu heb ik nog wel contact met een paar mensen, vooral uit de Thailand-tijd, onze laatste periode. We kwamen terug in 2012 omdat mijn man ziek was en hier zou worden behandeld. Dat liep helaas niet goed af en hij overleed. Ik besloot hier in Nederland te blijven al bedacht ik me achteraf dat het ook Spanje had kunnen zijn, dat was ook leuk geweest.

Marjolein vertelt over een vervelende situatie op straat. Iets wat we nu seksueel grensoverschrijdend gedrag zouden noemen. Ze haalt een werkje van boven. Een zwart gerand lijstje van 10×15 cm met daarin een pistool, gemaakt van een schuursponsje. Een treffend beeld met daar onder de tekst ‘in geval van nood’ . Multi-interpretabel, dit beeld, het schuursponsje is een vrouwending bij uitstek – nodig voor afwas en schoonmaak – een taak die van oudsher is toebedeeld aan vrouwen en nog steeds. Ik fantaseer in luttele seconden verder. Jee, is dit wat vrouwen nodig hebben voor zelfverdediging? Maar met het slappe materiaal van het schuursponsje valt niets uit te richten. En dan komt Marjolein schuchter uit de hoek: “dit gaat voor mij ook over ‘femicide’: vrouwenmoord.” Die is raak, ik schiet vol, dit is een onderwerp waar ik zelf vaak bij stil sta. Wat een sterk beeld. Ik complimenteer haar en dan geeft ze me dit werkje mee naar huis.

Noodgeval, 2026, schuurspons

“Ik word vaak gevraagd om deel te nemen aan groepsexposities. Dat gaat via Instagram waarop men mijn werk heeft gezien. In Gouda doe ik mee aan Unit 4 Art: een pop-up galerie met 50 kunstenaars die ieder een eigen kantoorruimte hebben in een oud leegstaand gebouw. Daar kan ik veel van mijn 3D-werk kwijt, gericht op de verkoop. Mijn meest feministische werk exposeer ik bij het No Rush-collectief, een textielcollectief van vijf vrouwen. We exposeren op verschillende plekken in het land, laatst nog drie weken in het Vincentiuskerkje in Velp in Noord-Brabant. Het gekke is dat mijn werk op papier en mijn collages worden gezien als kunst in tegenstelling tot mijn textiele werk. Dat wordt beoordeeld als traditioneel ambachtelijk vrouwenwerk en zou daarom geen kunst zijn.”

Huiselijk geweld 2026, oude foto, papier, plakband, gebroken schotel, bijltje, niet vastgeplakt

“Van 11-13 september a.s. is mijn werk te zien in Den Haag bij een expositie die georganiseerd wordt door Lens and Canvas, artfair for indipendent artists aan de Paviljoensgracht 20. Daar moet ik ook zelf aanwezig zijn. Verder heb ik geëxposeerd, in het Scheveningse Musee, ik ben lid van galerie Arti-Shock in Rijswijk, heb geëxposeerd in galerie Wind in Rotterdam, Spotted Horse in Laren in het Gooi, Museum Rijswijk en in Kunstencentrum K 38 Rhoden. Ook is werk van mij te vinden bij privépersonen in Londen en Miami. Ik stuur geen werk meer naar de VS, post sturen daar naartoe is te ingewikkeld, ik raak er mijn 3D-werk door kwijt.
In mijn werk en mijn teksten speelt voor mij het vrouw-zijn én het man zijn in deze wereld een rol. Mannen hebben het ook niet altijd makkelijk. Die moeten aan allerlei verwachtingen voldoen. Voor mij is het voor wat betreft vrouwen duidelijk: neem je plaats in. En als mannen een jurk willen dragen, prima. Als iemand een andere identiteit aan wil nemen, helemaal goed. Ik maak ook dingen waar een man een jurk aan heeft en een vrouw een kostuum, al is dat laatste niet bijzonder meer.

Wat ik met mijn kunst wil is op een ‘zachte’ manier dingen die ik niet in de haak vindt, aan de orde stellen: ik ‘roep’ zacht, zoek geen harde confrontatie.”

Nieuwsbrief
Kunstuitleen Voorburg
ontvangen

* verplichte velden


Nieuwsbrief archief

Site by Alsjeblaft!