In gesprek met… Maas

Roland Maas

Tekst en fotografie (tenzij anders aangegeven): Mélanie Struik
Vanuit de hal kijk je het magazijn in, nu een soort galerie

Het begon in 2017 met een CD met 100 portretfoto’s in een kringloopwinkel. Het werd het project The Legacy’: inmiddels 107 geschilderde portretten van voor beeldend kunstenaar Roland Maas volstrekt onbekende mensen. Die foto’s gaven hem de vrijheid om los te komen van het werken naar gelijkenis en los te gaan, zijn verbeelding te laten spreken en zijn invallen te volgen. Om waarlijk vrij te werken. Met een aantal van deze portretten is Maas, die onlangs de Cultuurprijs van Leidschendam-Voorburg won, vanaf 1 februari a.s. Kunstenaar van de maand bij Kunstuitleen Voorburg.

Het is een thuiswedstrijd voor mij, deze keer. Op de fiets naar het terrein van de voormalig GGZ-instelling Schakenbosch op de grens van Leidschendam-Voorburg. Over niet al te lang zal hier een kleine nieuwe woonwijk verrijzen. Nu staan er nog een aantal gebouwen die anti-kraak worden beheerd, waardoor je er voor een prikkie kunt wonen. Al fietsend zie ik in de parkachtige omgeving het oude magazijn, dat nu de tijdelijke woon-en werkruimte is van Roland Maas. Hij woont nog maar kort in dit gebouw. Hiervoor zat hij in het oude restaurant van Schakenbosch, hier vlakbij op het terrein. Roland is als een nomade: geboren in Tilburg en gestudeerd in Breda, woont hij nu sinds vijf jaar in Leidschendam-Voorburg. Hiervoor zwierf hij door het land – bij voorkeur in de Randstad – om neer te strijken op een tijdelijke anti-kraak plek.

Met een uitbundige lach en een groot armgebaar verwelkomt Roland me, nadat hij de oude maar nog steeds functionerende elektrische schuifdeur met een druk op een knop voor me heeft geopend. Ik loop via een bordesje naar binnen en zet mijn fiets in de grote hal. Mijn mond valt open van verbazing. Vanuit de hal kijk ik in een daar achter liggende grote en enorm hoge ruimte met veel licht: het voormalige magazijn van het complex. Roland heeft een aantal van zijn werken langs de wanden opgehangen. Dit is wonen én werken én een galerie ineen!

Rechts in de hal zie ik een open keuken met een deur naar een woonkamer. Naast de grote hal is een gang waar Roland een groot deel van zijn ruim 100 portretten heeft hangen en waar zich – in een aparte ruimte – ook zijn tijdelijk atelier bevindt. Voor het interview gaan we zitten in de woonkamer, het is er heerlijk warm en Roland maakt thee.

Aan de thee in de warme woonkamer
De lange gang met een groot deel van de portretten uit de reeks The Legacy | Een greep uit de portrettenreeks (website Roland Maas) | Roland in zijn tijdelijk atelier

Roland is inmiddels zo’n 32 jaar als beeldend kunstenaar aan het werk en heeft er altijd baantjes naast gehad. “Eenvoudig werk zodat ik altijd mijn vaste lasten kan betalen en energie over houd voor de kunst. Ik heb van alles gedaan. Ik ben nu postbode, was eerder kantinemedewerker, magazijnmedewerker, maakte steunzolen bij een podoloog, fotografeerde voor een opdrachtgever hotels in het buitenland, maakte websites en werkte ook een tijdje op een kantoor. Daar heb ik veel praktische zaken geleerd, wat mij goed uitkwam toen ik hier op het terrein vorig jaar in de voormalige kerk een expositie organiseerde.”

De expositie was net geopend toen ik plotsklaps – voor mij helemaal uit het niets – genomineerd bleek voor de Cultuurprijs van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Ik las het in de krant. Mijn moeder moest me er nog op attent maken dat er een bijeenkomst was waarin de winnaar bekend zou worden gemaakt. Ik had er totaal geen verwachting van, zat in de zaal en hoorde opeens mijn naam noemen. Mijn vriend moest me manen om naar voren te gaan, het was zo gek! Ik was en ben er natuurlijk enorm blij mee en de dagen daarna had ik een enorme toeloop naar de expositie, waar ik ook een aantal werken heb kunnen verkopen.”

Attributen van de meester, met in het raam twee foto’s: een van Agneta en een van Annifried, de twee leading ladies van popgroep Abba waar Roland als puber een grote fan van was en dat nog steeds is

Bij Roland was al snel duidelijk dat het de kunsten zouden gaan worden. “Als kind tekende ik al veel. Ik had een buurmeisje dat heel goed kon tekenen en na school tekenden we samen. Na de Havo ging ik in 1990 naar de Akademie St. Joost in Breda (nu de St. Joost School of Art & Design, met inmiddels ook een vestiging in ’s-Hertogenbosch, ms). Na een eerste algemeen jaar werd het de richting Publiciteit/Grafische Vormgeving. Ik bleek qua tekenen een enorme voorsprong te hebben op mijn jaargenoten en die vaardigheid vond de reclamewereld – waarvoor je opgeleid werd – toen heel fijn. Vandaar dit advies van de docenten.

Dit was voor de opkomst van de grafische programma’s op de computer. Wij moesten letters tekenen, super saai, zeker als je altijd portretjes hebt getekend en griezelfiguren. Inmiddels had ik een baantje bij een reclamebureau waar ik ook nog veel ervaring opdeed met fotografie. Toen ik in het derde jaar op moest voor mijn halfjaarlijkse beoordeling, was ik er klaar mee. Ik was al aan het schilderen en heb toen alleen maar portretten opgehangen. Toen zeiden de docenten: ‘dit kunnen we niet beoordelen’, maar ze vonden het wel goed en adviseerden me door te gaan naar de afdeling Grafiek. Daar leer je de druktechnieken etsen, zeefdruk, houtsnede en lithografie en ik kon er ook schilderen. Voor mij bleek een vrije richting veel beter.”

“De academie was een soort speeltuin. Je mocht er dromen, iedereen was een potentiële ster en je kon onbeperkt gebruik maken van alle werkplaatsen. Maar het bleek toch niet het paradijs. Op menselijk vlak speelde er natuurlijk van alles, zoals afhankelijk zijn van de luim van een docent of docenten die hun voorkeuren hadden, het was geen neutrale plek. En dan de realiteit na je afstuderen, dat niemand op je zit te wachten. Van de meeste afgestudeerden hoor je ook niets meer, het is maar een heel klein percentage dat het maakt.

De praktijk was dat ik niet van mijn kunst kon leven, zonder uitkering of subsidie, ik moest erbij gaan werken. Ik maakte daarover de fotoserie Have a new life for the artist/Kunstenaar in atelier, een reactie op het kunstenaars cv. Ik creëerde die hiermee zelf. Voor het beeldmerk ervan had ik mezelf nylons aangetrokken met naaldhakken. Op ieder werkadres na mijn academietijd fotografeerde ik mezelf op hoge hakken. De foto’s stalde ik uit in een trofeeënkast die ik exposeerde.”

Beeldmerk Have a new life for the artist, Kunstenaar in atelier | Roland tijdens een van zijn bijbanen, hier als postbode en op hakken voor het project Have a new life for the artist, Kunstenaar in atelier. Foto uit 2004 (website Roland Maas)

“Voor de meesten zal een man op hakken vreemd zijn. Voor mij was de hele situatie waarin ik terecht kwam na de academie net zo vreemd. Ik had nooit verwacht als afgestudeerd kunstenaar te moeten werken in de kantine van Hoogovens, want dat was mijn eerste bijbaan. En dan komen we bij de aannames over wat we verstaan onder, bijvoorbeeld, mannelijk en vrouwelijk, maar ook over het kunstenaarschap.

Dat onderwerp houdt mij al heel lang bezig. Mijn afstudeerscriptie in 1985 ging er al over en had de titel Ladyshave. Ik verbaasde me toen over het feit dat er naast het scheerapparaat voor mannen ook een speciale versie voor vrouwen was. Daar zit natuurlijk een financieel plaatje achter, er wordt een behoefte gecreëerd. Als je de twee woorden uit elkaar haalt krijg je Lady shave! Dat is een commando. Blijkbaar mocht been- en okselbeharing niet meer, het werd niet meer gezien als natuurlijk. Ook aan het kunstenaarschap worden normen gesteld, vooral vanuit de kunstwereld en vaak berusten die op aannames waar ik vraagtekens bij zet.

De naaldhak heb ik indertijd gekozen als metafoor voor het op je tenen lopen. Ik beschouw de naaldhak als symbool voor mannelijkheid. Je gaat rechterop lopen en je moet goed nadenken waar je je voet zet, anders struikel je of val je om. Ik vind dat wakkere bewustzijn heel mannelijk. Het is iets heel anders dan lopen op een pantoffel. Ik heb de naaldhakken nu losgelaten en mijn eigen variant van een schoen met een hoge hak ontworpen – the ‘elevated shoe’ – als mijn metafoor voor het op je tenen lopen.”

Roland toont zijn ‘elevated shoe’ terwijl hij aan het werk is op een schoenenlab, voor het project Have a new life for the artist, Kunstenaar in atelier. Foto uit 2019 (website Roland Maas)

“Na de academie ben ik de ruimtelijke kant opgegaan, ik kon heel lang niet meer schilderen. Ik kreeg van een vriend een keramiekoven te leen die ik ook mocht gebruiken. Toen ben ik gaan boetseren. Daar kon ik heel spontaan mee werken. Gewoon lekker aan de slag en er iets van maken. Ik kwam weer terug bij de spontaniteit. Ik wil genieten van dat creatieve proces en dat kon weer bij dat materiaal. Vandaaruit kon ik rond 2015 weer bij dat schilderen uitkomen.”

Roland Maas, What is a flower I, 2012, keramiek/mixed media, 60 x 60 × 60 cm, een voorbeeld van Roland’s ruimtelijk werk (website Roland Maas)

“Toen ik op de academie zat, zaten we midden in de conceptuele periode: je bedacht iets, ging dat vervolgens tot in de puntjes uitwerken en daarna ging je het uitvoeren. Maar dan had ik er allang geen zin meer in, veel te omslachtig. Ik wilde een avontuur aangaan. Neem het portretschilderen wat ik nu doe. Ik start met een foto van mensen die ik niet ken. Ik begin de foto heel realistisch na te schilderen. Dan komt er een moment dat ik het saai vind worden, ik ga er mee spelen. Ik voeg een afwijkende kleur toe, draai het doek en dan komt er een moment waarop ik het ga verpesten, verknallen. Vervolgens geef ik het op en dán gebeurt er iets. Alles wat ik er dan aan doe, maakt het werk alleen maar beter. Je moet er wel een soort lef voor hebben. Wat ik wil, is dat er iets gebeurt dat ik van te voren niet heb kunnen bedenken. Dan weet ik achteraf ook niet meer hoe ik dat heb gedaan. Ik denk ook heel vaak ‘ik kan niet meer schilderen’, ik ben het dan even kwijt.”

Roland Maas, Portret van Keith Pacino (The Legacy, nr. 95), olieverf en acryl op canvas, 30,5 × 40.6 cm, 2021 (website Roland Maas) | Roland Maas, Portret van Maggie Davis (The Legacy, nr.104), 2021, olieverf en acryl op canvas, 30,5 × 40 cm (website Roland Maas)

“Ik heb altijd muziek op staan, maakt niet uit wat voor genre. Ik schilder op canvassheets, een soort linnen. Daarna lijm ik het werk op een mdf-plaat. Ik gebruik vaak acrylverf als ondergrond, daarin heb je ook mooie fluoriserende kleuren. Daarna werk ik verder in olieverf. Dat heeft een langzame droogtijd en dat vind ik heel prettig. Soms staat een werk er al twee weken op, haal ik de voorstelling eraf waarna er toch altijd nog een beeltenis over blijft waar ik weer iets mee kan. Ik geef alle werken een titel, die ik meestal halverwege een portret krijg ingegeven. Bij de serie The Legacy krijgt elk personage een naam, vaak een combinatie van bestaande bekende mensen. En een titel is ook praktisch. Ik vraag me alleen soms wel af of je daarmee de beschouwer niet te veel beïnvloedt. Met een titel stuur je toch het kijken.”

‘Ik schilder op canvassheets, een soort linnen.’ | Elk Legacy-portret wordt gesigneerd en van een nummer en titel voorzien, een naam gecombineerd uit namen van bekende mensen. Hier een samenstelling van kunstenaar Joseph Beuys en acteur Cosmo Kramer.

Wat Roland betreft is zichtbaarheid belangrijk voor een kunstenaar, maar niet tegen elke prijs. “Was de academie een wereld op zich waar niets menselijks vreemd was, dat geldt ook voor de kunstwereld. Wie bepaalt wat goede kunst is? Hebben galeries eenmaal een ‘stal’ van kunstenaars dan beschermen ze die. Zo blijft er veel aandacht gaan naar maar een paar kunstenaars. Ik zie twee typen kunstenaars: de atelierkunstenaars die gewoon lekker aan het werk zijn en kunstenaars die veel tijd en aandacht besteden om zichzelf neer te zetten in die kunstscene, ook al maken ze werk waar ik geen hoge pet van op heb. De aandacht van de galeries zou beter verdeeld moeten worden.

Er zijn ook veel aannames in de kunstwereld over wanneer je een kunstenaar bent. Als ik naar een galerie ga, wordt mij gevraagd hoeveel werk ik al verkocht hebt en of ik subsidies heb gehad of wel eens een kunstprijs. Dát zijn de toetsstenen voor kunstenaarschap, niet de appreciatie van je werk. De kunstwereld stelt zoveel normen. Als ik zeg dat ik parttime kunstenaar ben, word ik al niet meer serieus genomen. Als ik zeg dat ik een atelier hebt, stijg ik in aanzien. Hebben we galeries eigenlijk wel nodig? Is het niet veel leuker om bij de kunstenaar zelf te komen?

Daarnaast speelt de factor ‘geluk’ een grote rol. Dat mag je niet zeggen, want kunst moet toch iets verhevens hebben, soms bijna iets goddelijks. Maar – wie weet – is er wel ooit een groot kunstenaar geweest die nooit is ontdekt. Hoe vaak is een kunstenaar niet pas na zijn dood beroemd geworden, maar tijdens zijn leven niet gezien en gehoord? Neem van Gogh. En dan wordt er nu zoveel geld aan hem verdiend binnen diezelfde wereld die hem eerder niet zag staan. En waarom zijn de portretten van Rembrandt belangrijker dan de portretten van Frans Hals. Die laatste zijn toch supergaaf? En alles naar model geschilderd, hè, niet van een foto!

Dat is wel een thema in mijn werk geworden: fijn werken in je atelier versus dat hele theater ernaast. Ik heb er in 2014 een installatie over gemaakt: The Lucky Star Gallery. Daarin heb ik dat hele proces willen uitbeelden. De installatie is 300 × 250 × 300 cm hoog. Je ziet drie poppen, twee robotachtige figuren, en een kind. Het kind staat in de hakken van haar moeder en wil enthousiast haar werk laten zien, maar er wordt over haar heen gekeken.”

Roland Maas, The Lucky Star Gallery, 2014, 300 × 250 × 300 cm, afval en keramiek (website Roland Maas)

“Je ziet eigenlijk een theater. De twee robotachtige wezens presenteren een soort haai op een sokkel, een verwijzing naar de haai op sterk water van Damien Hirst, die toentertijd te zien was bij de Saatchi Gallery in Londen: kunst als een soort verhevenheid op aardse gronden. Het kind draagt ook een Disneyhandschoentje. Kijk je naar de structuren, de instituties, dan blijkt het alleen maar om geld te gaan. Mooie meiden op de academie die een relatie hadden met de kunstgeschiedenisleraar en die dan cum laude slaagden: het Tits & Ass-Theater. Hier heb ik een jaar lang aan zitten bouwen, dat is toch geweldig? En het materiaal is afval in combinatie met keramiek. Dit is wat ontstond, waar mijn energie naar uitging en waar ik energie van kreeg. Zo wil ik werken. Dat is zó gaaf in tegenstelling tot gedwongen zijn tot van alles. Is een kunstenaar eigenlijk wel gebaat bij ontdekt worden?”

Nieuwsbrief
Kunstuitleen Voorburg
ontvangen

* verplichte velden


Nieuwsbrief archief

Site by Alsjeblaft!